Impressie van het leven van Louis van Roode en de waarde van de mozaïeken van hotel Britannia.
"In elk geval treft het geheel juist de luchtige sfeer, die men zich op een zomerse dag aan het water in zulk een gelegenheid voorstelt" schrijft een landelijk journalist over het mozaïek van hotel Britannia kort na de oplevering in 1960. Verder constateert hij een duidelijke invloed van de moderne Zuid-Amerikaanse architectuur. "Het bewijst echter uitdrukkelijk, dat in de moderne architectuur internationaal geestelijke krachten werkzaam zijn, waarvan wij de diepe betekenis nauwelijks kunnen overzien...", zo vervolgt hij zijn verhaal. Een vleiend stuk uit een andere tijd, naar huidige maatstaven iets teveel eer zo lijkt het. Toch zijn een de panelen, nu de sloop van het gebouw eindelijk gaat beginnen, zeker waard om te behouden. Gelukkig toont ook de gemeente belangstelling, zij het schoorvoetend. De op het werk aangebrachte motieven zijn immers maritiem; dat lijkt ze nu van de sloop te redden.
Ook in Vlissingen kwamen net als elders in het land tijdens de oorlog studiegroepen bijeen om na denken over de toekomstige herinrichting van de stad. Zo verscheen in '43 het boekje 'Metamorphose van Vlissingen' geschreven door wethouder Knoop. Burgemeester buiten dienst C.A. van Woelderen schreef daarin o.a.; "Er zullen in Vlissingen vele bakens moeten worden verzet; wie daarom ondernemingslust paart aan vertrouwen in de toekomst, zorge er voor tijdig zijne plannen gereed te hebben". Daar kwam bij de bevrijding nog het nodige bij waaronder het voormalig Grand Hotel Britannia, waar het Duitse hoofdkwartier pas na een felle strijd uit verdreven kon worden. De ruines werden snel geruimd, maar daarna was van enige ondernemingslust op deze plek weinig te merken.
Dat was schijn, de N.V. Britannia, die op initiatief van Van Woelderen met de gemeente als groot aandeelhouder in '39 was opgericht om het noodlijdende bedrijf te redden, bestond nog. En Britannia, daar was men heel duidelijk in, moest worden herbouwd.
Om de kosten te spreiden en het ondernemersrisico te verkleinen besloot men uiteindelijk het bedrijf in twee fasen weer op te bouwen. Zo begon men precies tien jaar na de ondergang van het Grand Hotel, op 12 april 1954 met de bouw van een nieuw café-restaurant met feest- en congreszaal en een dienstwoning. Het hotelgedeelte dat in '60 volgde maakte het weer compleet en bracht het bedrijf uit 1886 weer terug op de Boulevard.
Het eerste gedeelte, werd een jaar later, op 2 april 1955, feestelijk geopend. De pers was vol lof en de PZC roemde onder meer 'de fleurige balconrand'.
Brit was hip, Brit was in, Brit was van Boks, architect J. W. C. Boks uit Rotterdam. Met het Bouwcentrum in dezelfde plaats, zijn eerste grote opdracht uit 1948 was hij met naam en faam bekend geworden. In 1955 en 1967 werd het centrum onder zijn leiding fors uitgebreid, deze keer met een bakstenen reliëf aan de voorkant van het gebouw van Henry Moore, toen al een van de grootste beeldhouwers van zijn tijd.
Deze combinatie van architectuur en monumentale kunst, zoals dat voor het eerst zo werd genoemd, is kenmerkend voor deze naoorlogse wederopbouwperiode. Toen werd ook de basis gelegd voor de percentageregel, dat een vast deel van de bouwkosten gebruikt zou worden voor kunst. Daarnaast was het duidelijk ook bedoeld om deze nieuwe architectuur wat te verzachten en te veraangenamen.
Boks beschouwde de borstwering van het balkon, dat oorspronkelijk van buitenaf naar het binnenbalkon van het restaurant doorliep, als een belangrijk element in zijn ontwerp. Het moest als een verlevendigde horizontale lijn door het gebouw gaan lopen. Hij vroeg de Rotterdamse kunstenaar Louis van Roode een ontwerp hiervoor te maken. Hoewel van een heel ander kaliber dan Moore had Van Roode in de loop der jaren een duidelijke en belangrijke reputatie in Nederland opgebouwd.
Hij werd geboren in Delft, op 21 juni 1914, als zoon van een fietsenmaker uit een gezin van tien kinderen, maar woonde en werkte bijna zijn hele leven in Rotterdam. Met zijn forse postuur en zijn grote hoornen bril moet Aloysius Maria van Roode een opvallende verschijning zijn geweest. Net zo opvallend was zijn veelzijdige talent, niet alleen als graficus en schilder, maar ook als beeldhouwer, mozaïekwerker en glazenier . Al op veertienjarige leeftijd werkte hij bij een lithografisch bedrijf waar hij kleine lettertjes aanbracht op steen. In eerste instantie wilde hij architect worden maar daarvoor ontbraken de financiele middelen. Na zijn opleiding vertrok hij naar Arnhem waar hij ervaring op deed in een grafisch bedrijf.
Hij verdiepte zich verder en nam opnieuw les op de academie. Dit keer bij de bekende graficus Derkzen van Angeren. Hij bleef tot 1943 zijn assistent om zich daarna te bekwamen in de vrije schilderkunst. In zijn begintijd trok hij vooral de aandacht als tekenaar, graficus en schilder, dit alles in een gematigde expressionistische stijl. Hij maakte voornamelijk stillevens, interieurs en portretten. Zijn eerste bekendheid kreeg hij al voor de oorlog als reclametekenaar en hij werkte in die functie voor diverse opdrachtgevers waaronder Philips.
Aan het eind van de oorlog kreeg hij belangstelling voor monumentale kunst. Gelijk zijn karakter en postuur lag dit hem, deze kunst van het grote gebaar. De eerste belangstelling hiervoor had hij al als jonge student aan de academie. Zo liep hij eens langs een huis waarvan de zijgevel door de sloop van het aangrenzende pand goed te zien was. "Toen heb ik voor het eerst de behoefte gevoeld op die troosteloze grote vlakken grijs kleur en ingrijpende vormen aan te brengen" zo vertelde hij later.
Uiteraard was ook de verwoesting van Rotterdam er de oorzaak van dat verscheidene Rotterdamse kunstenaars de weg naar deze vorm van kunst kozen. De stad in opbouw bood niet alleen voor stedenbouwkundigen en architecten maar ook voor kunstenaars nieuwe kansen. Verschillende Rotterdamse schilders verenigden zich in de werkgemeenschap groep "R". Het stoorde hen dat bij veel nieuwbouw op het laatst nog even besloten werd een of andere versiering aan te brengen. Beeldend kunstenaars zouden vanaf het begin af aan al bij het ontwerp betrokken moeten worden. Er werd veel gediscussieerd, lezingen gehouden en exposities aan dit onderwerp gewijd, en uiteindelijk kwamen ook de opdrachten.
Zo was Van Roode die eerste jaren na de oorlog vooral actief met wandschilderingen en verscheen er ondermeer werk van hem in het Zuiderzeeziekenhuis en Oud-Boymans. Het was het begin van hele reeks monumentale werken die zouden volgen. Een ontwerp van een wandschildering was te zien op een overzichtstentoonstelling van Rotterdamse kunstenaars in het Stedelijk in Amsterdam eind '49. In diezelfde tijd was hij medeoprichter van de Argus-groep, waarin hij zes jaar lang de leidsman was voor een aantal jonge schilders.
Hij werd ook bekend om zijn verhandelingen over kunst. De schrijver Alfred Kossman haalde hem over kunstkritieken te gaan schrijven wat hij een tijdje voor een aantal Rotterdamse kranten heeft gedaan. Geheel in zijn stijl hield hij ook dit na een tijdje voor gezien.
Een tentoonstelling van mozaïek uit Ravenna uit Italië in het gemeentemuseum in Den Haag inspireerde hem tot deze vorm van kunst. Het mozaïek stelde hem nog beter in staat zijn werk deel uit te laten maken van de werkelijke architectuur. Een van zijn bekendste werken uit die tijd is het mozaïek van Erasmus (1954) aan de gevel van het Holbeinhuis, nu nog steeds te bewonderen aan de gevel boven het VVV aan de Coolsingel.
Deze kunstvorm vroeg aanmerkelijk meer ruimte en hij betrok een groter atelier. Met een groep van assistenten werd aan de verschillende opdrachten gewerkt.
Een van hun was Jeanette Markus. Zij werkte mee aan een van zijn eerste opdrachten en werd later grafisch ontwerper en docent aan de Academie van Beeldende Kunsten in Rotterdam. Aan het eind van zijn leven kreeg ze een relatie met hem en schreef daarover in 1979 het boek: 'De schilder, de schrijver en ik'. Van Roode heet daarin Simon Robijn. „Ik was erbij omdat ik de letters moest tekenen. De stemming was opperbest, werd alleen van tijd tot tijd verstoord wanneer Simon zich plotseling zijn verantwoording als opdrachtgever herinnerde en hij bezorgd het werk en de voortgang ervan controleerde. Was er iets niet naar zijn zin dan kon hij geweldig te keer gaan, dan aarzelde hij niet iedereen van alles te beschuldigen. Werd dat iemand te gortig zodat hij de deur uitliep, dan schrok Simon hevig en moest hij, met de overige medewerkers in een taxi geperst, er achteraan. De verzoening werd gevierd met veel cognac en daarna weer koffie en iedereen was blij maar wel moe."
Niet lang daarna volgde de opdracht voor de balkonbalustrade van Britannia. Het werk werd eerst uitgevoert als model, dit keer op een smalle houten lat. De uitwerking gaf gelijk al problemen omdat geen enkele fabriek de geschikte tegels kon leveren. Hij ging er zelf mee aan de slag, verdiepte zich in de techniek, schafte twee ovens aan en begon met experimenteren. Uiteindelijk kreeg hij het onder de knie, verkreeg het certificaat van TNO dat benodigd was voor het gebruik van een dergelijk materiaal aan zee en kon het eigenlijke werk beginnen. Een half jaar lang draaide de 'mozaïekfabriek' aan de Hertekade in Rotterdam op volle toeren en werd er gekneed en gebakken; en toen was de basis, het plateel of de ''biskwie' zoals hij het zelf wel eens noemde klaar. In totaal was er zo'n vijfduizend kilo klei in verwerkt. Daarna kon de hele voorraad in gedeeltes weer de ovens in voor het glazuren. Zestig kleuren kon hij maken behalve 'mooi' oranje; dat stoorde hem maar een van de ingrediënten, uraan-oxide, was niet meer te krijgen. "Dat wordt tegenwoordig gebruikt om atoombommen van te maken", had men hem weleens horen brommen. Na het breken was de basis voor het mozaïek klaar voor gebruik.
Inmiddels was op de bouwplaats van het hotel speciaal voor hem en zijn team van vijf assistenten een houten barak gebouwd. Eerst ontbraken er de ramen maar dat werd op zijn verzoek aangepast. Vanwege de enorme lengte van het werk, in totaal 84 meter, werd het in gedeelten gemaakt, waarbij men bij de vervaardiging van elke plaat gebruik maakte van een langwerpige houten platte bak. Deze werd met specie gevuld, daarna afgestreken waarna Van Roode met enkele lijnen de figuren in de nog natte specie trok. Vergelijkbaar met de frescotechniek was het daarna zaak om nog voor het hard was de zaak op te vullen. Zo werden de verschillende panelen afgewerkt waarna ze na harding tegen de balustrade van het balkon werden geplaatst.
„Mijn vader was voeger", vertelt Hans Tienpond. „Na zijn werk ging hij s‚avonds naar Brit om aan het mozaïek te werken. Mijn moeder vond dat niet altijd even leuk want het waren lange dagen en bovendien werd er na afloop nog al eens een borreltje geschonken. Als herinnering aan die periode hangt aan de muur een door zijn vader ingelijst mozaiek die hij destijds van de kunstenaar gekregen had."
Het resultaat is voor het grootste gedeelte nog steeds te bewonderen. Het stelt in verschillende fasen het hele evolutieverhaal voor van het meest primitieve zeedier tot de meest ontwikkelde vis.
"Van Roode was zeer gesteld op het werk", zo schrijft Wil van Kooy-Seinstra me. Die ook enige tijd op zijn atelier gewerkt heeft. "We gingen nog vaak met de trein naar Vlissingen, niet alleen omdat hij trots was op het mozaïek, maar ook om er lekker te eten, zoals kreeft. We maakten er dan een echt dagje uit van met de 'meisjes van Roode'".
Het is geen mozaïek in de letterlijke zin van het woord. Van Roode noemde het eens omslachtig een combinatie-tegeltableau-mozaïek om aan te duiden dat hij er zelf ook geen goed woord voor wist. Het was in feite al de overgang naar een meer beeldende vorm van werken en eigenlijk de eerste opmaat voor zijn meest bekende werk in de openbare ruimte aan de westgevel van het Stationspostkantoor vlakbij het Centraal Station in Rotterdam. Een groot grauw en grijs gebouw dat wat verloren door de latere hoogbouw tegen het spoor lijkt te zijn weggedrukt. Het gebied rond het station wordt herontwikkeld maar het gebouw met het werk van Van Roode is inmiddels beschermd. Van Roode ontwierp een over de hele gevel verspreid lijndecor in een boomvorm waar doorheen een groot aantal glas-in-beton raampartijen in allerlei hoeken als Rotterdamse dobberende dozen naar buiten staken. Hij werkte er drie jaar aan, van '55 tot '58, en het resultaat is staande onderaan voor de gevel heel bijzonder te noemen.
Ander werk van betekenis verscheen in het Dijkzichtziekenhuis, een kantoorgebouw van Shell-Pernis en de Nederlandse Bank. Verder kreeg hij voor zijn mozaïekplastieken, glas-in-betonwanden en andere vormen van monumentale kunst vanuit het hele land opdrachten. Wat hier nog van over is is mij niet bekend.
De laatste jaren weidde hij zich weer aan zijn oude liefde, de vrije schilderkunst, dit keer non-figuratief. Hoewel hij de laatste jaren veel problemen had met zijn gezondheid stierf hij toch nog onverwachts in februari 1964 op 49 jarige leeftijd in zijn boerderij aan de rand van de stad.
Kunstcriticus Pierre Janssen schreef naar aanleiding van zijn dood in het Parool; " in zekere zin was Van Roode een geheel tijdperk: het tijdperk van een nieuw artistiek leven in Rotterdam, dat zich na de oorlog op even vrolijke als agressieve wijze deed kennen. Hij was vooral het klassieke type van de persoonlijkheid die, zonder het zelf persé te willen, het gist was in veel dik Nederlands deeg". Over zijn laatste werk merkte hij op dat het de charme en de fonkeling van zijn vroeger werk had behouden.
Een andere criticus uit die tijd zag het heel anders en schreef dat "hij nooit ook maar gedeelten had gezien van een oeuvre, dat man en legende kon verenigen. Bekend zijn de werken van decoratieve en monumentale kunst, die op zijn minst getuigen van vakmanschap en artistieke ondernemersdurf en die soms gelukkige resultaten zijn".
Is het Vlissings mozaïek een gelukkig resultaat te noemen? Wat zeggen de huidige kenners en is het waardevol genoeg om te behouden? Het Bureau Beeldende Kunst in Rotterdam en het Instituut Collectie Nederland, een toonaangevend en onafhankelijk kennisinstituut voor cultureel erfgoed, vinden dat er uiterst voorzichtig met dit werk moet worden omgegaan. Voor Monumentenzorg is het werk onlosmakelijk met het gebouw verbonden. Het vormt er een geheel mee en is in artistieke zin niet los te koppelen van het geheel. Leon Riekwell van Bureau Beeldende Kunst Vlissingen deelt die mening maar pleit ondanks voor behoud. "Er is een emotionele waarde die, doordat in Vlissingen al zoveel verramst is aandacht vraagt. Een stad leeft van oud en nieuw, van lelijk en mooi en nog veel meer. Om deze connectie te kunnen blijven maken als Vlissingers of als geïnteresseerde bezoekers moet je spaarzaam omgaan met wat wij nog aan bijzondere elementen hebben. Het is de verbinding met ons verleden. Binnen dit kader (dus absoluut los van de artistiek inhoudelijke waarde) zie ik een andere toekomst voor het mozaïek".
De gemeente heeft in haar sloopvergunning voor het hotel de aanbeveling opgenomen om het mozaïek te behouden. Aan opslag is geen gebrek en er zijn diverse ideeën voor herplaatsing. Toch blijft het spannend wat de huidige eigenaar, projectontwikkelaar Loostad bv., met het werk van Van Roode gaat doen.
Wij hopen dat tenminste een deel van het werk behouden zal blijven. Los van de wederopbouwhausse die er op dit moment heerst, zal het werk op de juiste manier toegepast, net als op de huidige locatie een origineel en kleurig element aan zijn omgeving toevoegen.
Doeke Roos Jr
Archieven, overige instanties:
Instituut Collectie Nederland
Bureau voor Kunsthistorische documentatie
Gemeentearchief Vlissingen
Bureau Beeldende Kunst Rotterdam
Bureau Beeldende Kunst Vlissingen
Provinciale Zeeuwse Courant
Het Parool
Gemeente Vlissingen
Museum Boymans van Beuningen
Literatuur:
De schilder, de schrijver en ik. Jeanette Markus.
Personen:
W.M. van Kooy-Seinstra
H. Tienpond